Slepen

Slepen

SLEEPSTART
Voor de start: Trim iets voor neutraal Tijdens het rollen: Vleugels horizontaal houden Grote roeruitslagen geven Zo snel mogelijk balanceren op het hoofdwiel om het neus- en staartwiel van de grond te houden Ontkoppelen als het zweefvliegtuig uitbreekt Tijdens het slepen: Na het loskomen van het zweefvliegtuig: Niet klimmen Een bocht niet afsnijden; later dan het sleepvliegtuig inzetten. De neus richten op de buitenste tip van het sleepvliegtuig en dezelfde helling aannemen. Niet overcorrigeren Na het ontkoppelen:Kijken of de kabel los is en dan een bocht inzetten

Trim, neushaak
Voor de sleepstart gebruik je de neushaak i.p.v. de zwaartepuntshaak. Het sleepvliegtuig vliegt meestal ruim 110 km/h. Dit is sneller dan je normaal vliegt. Bij sneller vliegen moet de trim iets naar voren staan en daarom zet je de trim vóór de sleepstart alvast iets vóór neutraal.
Je zult zien dat de vliegtuigsleepstart een heel andere techniek is dan de lierstart. Bij de lierstart accelereer je in een paar tellen naar 100 km/h en kom je snel los, terwijl dit bij het slepen veel meer tijd vergt.

Het rollen over de grond
In de start rol je een hele tijd over de grond achter het sleepvliegtuig aan. Hierbij moet je de vleugels horizontaal houden en recht achter het sleepvliegtuig blijven. De snelheid is dan nog laag en daardoor is de roerwerking, vooral in het begin, gering. Bij correcties moet je dan ook grote uitslagen met de roeren geven. Tijdens het rollen over de grond probeer je zo snel mogelijk op het hoofdwiel te balanceren door een hoogteroeruitslag met de knuppel. Alleen door op één wiel te rijden, kun je jouw positie met het richtingsroer achter het zweefvliegtuig corrigeren. Wanneer twee wielen de grond raken, is sturen niet mogelijk. Je gebruikt het richtingsroer om recht achter het sleepvliegtuig te blijven en deze situatie probeer je te handhaven tot het zweefvliegtuig loskomt. Het zweefvliegtuig komt bij voldoende snelheid vanzelf los van de grond. Je moet het niet met de stuurknuppel van de grond trekken. Je zult merken dat met het toenemen van de snelheid de roeren effectiever worden en het sturen gemakkelijker gaat.

Los van de grond
Het zweefvliegtuig komt meestal eerder los dan het sleepvliegtuig. Zo lang het sleepvliegtuig nog niet los is mag je beslist niet klimmen (de staart van het sleepvliegtuig nooit optillen). Je blijft vlak boven de grond vliegen tot het sleepvliegtuig los komt.

Positie achter het sleepvliegtuig
De propeller van het sleepvliegtuig veroorzaakt een behoorlijke slipstroom. Om niet in deze propellerslipstroom te komen ga je iets hoger vliegen. Je kiest jouw positie iets boven de slipstroom. De juiste positie achter het sleepvliegtuig is afhankelijk van het type sleepvliegtuig. Zo houd je bij het ene type de vleugels ervan op de horizon en bij een ander type houd je de wielen van het sleepvliegtuig op de horizon. Wanneer de langsas van het sleepvliegtuig en de sleepkabel zo veel mogelijk één rechte lijn vormen, zit je er goed achter. Vraag je instructeur welke methode bij dit sleepvliegtuig de beste is en zak bij wijze van oefening maar eens een keer in de slipstroom, dan weet je snel dat het prettiger is daar net boven te blijven. Een sleepvliegtuig sleept meestal met tamelijk hoge snelheden. Het zweefvliegtuig heeft dan de neiging om boven het sleepvliegtuig uit te stijgen. Dit voorkom je door de stuurknuppel naar voren te drukken. Met de trim iets naar voren heb je daar minder kracht voor nodig.
Er zijn veel kleine en snelle correcties nodig om goed achter het sleepvliegtuig te blijven. Als je niets doet wordt een afwijking steeds groter. Hoe eerder je deze afwijking corrigeert, hoe kleiner de benodigde correctie. Door de hoge snelheid is de roerwerking groot. Kleine uitslagen zijn al voldoende. Wanneer het sleepvliegtuig, bijvoorbeeld door een bel, sterk stijgt of daalt, volgt het zweefvliegtuig kort daarna met stijgen of dalen. Slepen is een zeer geconcentreerde bezigheid, snel corrigeren vergemakkelijkt het slepen enorm.

Het maken van een bocht
Wanneer het sleepvliegtuig een bocht inzet, probeer je zijn cirkel te volgen. Als je tegelijk met het sleepvliegtuig een bocht inzet, ga je binnendoor en haal je het sleepvliegtuig in. De sleepkabel blijft dan niet strak. Begin daarom een paar seconden later aan de bocht, neem dan dezelfde helling aan als het sleepvliegtuig en richt de neus op de buitenste tip van het sleepvliegtuig.

Ontkoppelen
Het sleepvliegtuig geeft door rollen aan (waggelen met de vleugels) dat er ontkoppeld moet worden. Je ontkoppelt twee keer, kijkt of de kabel inderdaad los is en zet dan een bocht in (afhankelijk van de lokale afspraken naar rechts of naar links). Dit is een klimmende bocht, want de oversnelheid, die je bij het slepen had, zet je om in hoogte tot je de normale vliegsnelheid bereikt hebt.
Het sleepvliegtuig vliegt eerst nog even rechtdoor, want ook hij checkt of er ontkoppeld is. Als hij jouw zweefvliegtuig een bocht ziet maken, weet hij dat jij ontkoppeld hebt. Daarna gaat hij over in een dalende vlucht.

2.14 SLEEPSTART MET ZIJWIND, NOODPROCEDURE AFBREKEN SLEEPSTARTVoor de start: Checken op voldoende afstand tot obstakels Bij het rollen over: Het weerhaaneffect opvangen de grond: met het voetenstuur. Rekening houden met weggezet worden na het loskomen. Voorzichtig met helling Afbreken sleepstart:Bij het rollen over de grond: sleepvliegtuig naar links, zweefvliegtuig naar rechts Onder de 75 m een landing tegen de windrichting in.

Zijwind
Het slepen mag alleen maar plaatsvinden als de windsnelheid lager is dan 20 knopen. Bij dwarswind ligt de limiet veel lager, omdat zowel het sleepvliegtuig als het zweefvliegtuig behoorlijk hinder ondervinden van de zijwind. Bij het slepen met zijwind moet je rekening houden met het weerhaaneffect en dat je weggezet wordt achter het sleepvliegtuig zodra je loskomt.

Weerhaaneffect
De wind oefent van opzij een kracht uit op het verticale kielvlak. Deze kracht moet door een richtingsroeruitslag 'tegen' (wind van links, dan met de voeten het richtingsroer aan de rechterkant intrappen), worden opgevangen, omdat anders het zweefvliegtuig uit z'n koers achter het sleepvliegtuig wordt gedraaid.

'Weggezet na loskomen'
Het zweefvliegtuig komt eerst 'los' terwijl het sleepvliegtuig nog over de baan rolt (zie de afbeelding van de volgende blz., linker situatie). De dwarswind verplaatst dan het zweefvliegtuig opzij. De vlieger van het zweefvliegtuig dient dan zoveel op te sturen dat zijn positie midden boven de baan blijft. De neus van het zweefvliegtuig wijst dus in de richting van de zijwind naast het sleepvliegtuig. Opsturen laag bij de grond moet voorzichtig gebeuren, want de tip mag de grond beslist niet raken. Dus opsturen met het richtingsroer en weinig helling. Wanneer voldoende hoogte gewonnen is en men vrij van obstakels is, kan het zweefvliegtuig weer recht achter het sleepvliegtuig positie kiezen. De combinatie sleepvliegtuig en zweefvliegtuig stuurt dan als één geheel op.

Noodprocedure afbreken sleepstart
Elke vlieger maakt tijdens de lierstart wel eens een kabelbreuk mee, maar een afgebroken sleepstart is echt een grote uitzondering. Stel dat de sleepstart afgebroken wordt, door bijv. een losschietende kabel of motorpech, dan handel je als volgt:Tijdens het rollen: Stopt de sleepvlieger dan stuurt de zweefvlieger naar rechts uit en de sleepvlieger naar links. Ontkoppel de kabel. Kijk tijdens een sleepvlucht waar zich in de buurt van jouw veld redelijke landingsveldjes bevinden.

Onder de 75m.
Probeer een landing tegen de wind in in een akker of weiland.

Boven de 75m.
Schat of je het vliegveld kunt halen. Op een hoogte van 100 m kan een zweefvliegtuig een paar kilometer afleggen. Zet het vliegtuig, als dat haalbaar lijkt, ergens op het vliegveld aan de grond. Vertrouw je de afstand en je hoogte niet; land dan buiten het vliegveld tegen de wind in.

De kabel kan niet ontkoppeld worden
Maak rolbewegingen met de vleugels (waggelen) en open de kleppen om de sleepvlieger duidelijk te maken dat de kabel niet los wil of meld het hem via de radio. De sleepvlieger sleept je dan terug naar het veld en hij ontkoppelt vlak boven de grond.

Sleepvliegtuig beweegt richtingsroer heen en weer
Tegenwoordig hebben de meeste sleepvliegtuigen en zweefvliegtuigen een radio. Als er iets is kan dat vaak direct gemeld worden. Mocht er geen radiocontact tussen beide zijn en de sleepvlieger constateert dat bijvoorbeeld de remkleppen open staan, dan beweegt hij snel achterelkaar het richtingroer heen en weer. Dit is dus het teken dat er iets met het zweefvliegtuig aan de hand is.

Met dank aan Dirk Corporaal


 

Laagsleep in aankomst